Andreaskerk: Evangelisch-Lutherse Gemeente Rotterdam
orgel van de Andreaskerk

Het Blank-Reil-orgel

Cultuur en de Andreaskerk

Orgel

Twee orgels in de Andreaskerk

Gemeentezang-begeleiding vóór 2001

Tot 1940 zong de gemeente bij het Müllerorgel in de Wolfshoekkerk, die onherstelbaar getroffen werd tijden de meidagen van het eerste oorlogsjaar.

De Lutherse Andreaskerk is in 1947 gebouwd, maar tot 1959 was zij niet voorzien van een vast orgel. Tot die tijd behielp men zich met een noodvoorziening. In 1956 werd opdracht gegeven voor de bouw van een orgel aan H. Vermeulen uit Overschie. Deze leverde een instrument, dat was gebouwd volgens het zogenaamde electro-pneumatische systeem. (Noot voor orgelkenners: bijzonder was dat hij daarbij springladen combineerde met dit (electro-pneumatisch) systeem).

Het bezat geen orgelkas (omsluiting van het pijpwerk), maar was vrij in de ruimte geplaatst op een plaats ver van de zingende gemeente, op een betonnen platform hoog in de kerk, boven de ‘zangzolder'. Er werden relatief goedkope materialen toegepast (zink, geperst materiaal).

Juist in die tijd maakte de Nederlandse orgelbouw een sterke ontwikkeling door, waarbij orgels volgens geheel andere principes werden gemaakt. Veel instrumenten uit die tijd grijpen namelijk terug op de eigenschappen van de beroemde oude Nederlandse en Noordduitse orgels. Zij bezitten een zogenaamde mechanische tractuur (de verbinding tussen toets en pijp is mechanisch, niet elektrisch, zodat de speler voelt wat hij doet), eerste klas materialen (tin, lood, massief hout), een – mooi vormgegeven orgelkas die het pijpwerk resonans geeft. En bovenal: een karaktervolle klank.

Maar de laatste jaren traden de slechte eigenschappen van dat orgel steeds vaker naar voren: het ging meer onderhoud vragen, door repeterende storingen werden registers onbruikbaar.

Externe adviezen over het oude Vermeulen-orgel bevestigden de vermoedens: het was niet uitgesloten, dat het orgel de gemeente op korte termijn voor aanzienlijke reparaties zou plaatsen.

De Blank-Reil

Eveneens na extern advies werd gewezen op de Gereformeerde Noorderkerk in Sneek, waar het in 1967 door K.B. Blank en Zn. gemaakte orgel stond.

In februari 2001 viel in de kerkenraad het besluit dit orgel te kopen. Er werd offerte gevraagd bij verschillende orgelmakers overplaatsing, alsmede uitbreiding van het orgel met 4 registers, die oorspronkelijk al in het instrument gereserveerd waren. Uiteindelijk werd aan de Gebr. Reil te Heerde de opdracht gegund. En vanaf dat moment begint de geschiedenis van het tweede orgel van de Lutherse Andreaskerk.

Het nieuwe instrument is in 1967 gebouwd door K. B. Blank en Zoon te Herwijnen voor de Gereformeerde Noorderkerk te Sneek. Het belichaamde voor een belangrijk deel de inzichten die toen in de orgelbouw opgeld deden. Pijpwerk moest niet in de open ruimte, maar in nauw omsluitende kassen staan. De verbinding tussen speeltafel en pijp diende langs mechanische weg, in plaats van elektrische, te geschieden. De klank werd geënt op de orgels van de barok en die van het klassieke Hollandse orgel uit de 18e eeuw: kernachtig, rond en helder.

Bij oplevering in Sneek telde het instrument veertien stemmen, er was ruimte gereserveerd voor nog eens zes registers. In 1988 werd door de firma Reil een revisie uitgevoerd, waarbij twee stemmen werden bijgeplaatst.

Het ontwerp van de eikenhouten kas is typerend voor de orgelbouw van de jaren zestig: functioneel, met vlakke fronten en eenvoudig gezaagde versieringen. De halfronde bekroning van de kas is speciaal voor onze kerk vervaardigd om het orgel beter te laten aansluiten bij de boognis erachter. De speeltractuur is mechanisch: de verbinding tussen toets en pijp(ventiel) bestaat uit zogenaamde ‘abstracten' (dunne houten latjes), waardoor de organist op zeer directe en voelbare wijze contact tot stand brengt tussen hem en het klinkende deel van het orgel. (Bij het oude orgel vond dat contact langs elektrische weg plaats). Ook de registers worden mechanisch bediend.

Bij de revisie en uitbreiding zijn onder meer de volgende werkzaamheden uitgevoerd.

De orgelkas is verstevigd door de stijlen te verdikken. Ook is de kas met muurijzers verankerd. Aan de achterkant werd een solide stemvlonder aangebracht. In het front van het hoofdwerk werden (loze) pijpen aangebracht aan de bovenkant in de twee tot dan toe lege tussenvelden.

De klaviatuur en de speelmechanieken werden opnieuw afgeregeld, waar nodig werden leer en vilt vervangen.

De windvoorziening bleek in orde, slechts de tremulanten moesten worden vernieuwd. Onderdelen van kunststof werden vervangen door lederen.

Het belangrijkst is natuurlijk de uitbreiding van de dispositie. Op het Hoofdwerk werd een nieuwe Octaaf 2' geplaatst. De oude werd gebruikt om de in 1988 ‘uitgedunde' Mixtuur weer op sterkte te brengen. Voor het Rugwerk werden een Scherp 3-4 sterk en een Dulciaan 8' vervaardigd. Tenslotte werd het pedaal verrijkt met een Fagot 16' en een Cornet 4'. Het gehele orgel is in de werkplaats van de orgelmakers en in onze kerk waar nodig geherintoneerd.

Door intonatie en dispositie is het instrument voor veel orgelliteratuur geschikt.

Het is moeilijk te zeggen of wij nu in het bezit gekomen zijn van een Blank- of Reil-orgel. Beide firma's behoren tot de beste van Nederland, beide hebben de hand gehad in het instrument zoals het er nu staat. Misschien dat we daarom maar van een Blank Reilorgel (in die volgorde) moeten spreken: ere wie ere toekomt.

De dispositie van het grote orgel:

Hoofdwerk (C- g3) Rugwerk (C- g3) Pedaal (C- f1)
Prestant 8' Holpijp 8' Subbas 16'
Viola 8' Prestant 4' Prestant 8'
Roerfluit 8' Fluit 4' Fagot 16'
Octaaf 4' Nasard 2 2/3' Cornet 4'
Speelfluit 4' Woudfluit 2'
Octaaf 2' Sexquialter 2 st. d.
Mixtuur 4-5 st.2' Scherp 3-4 st.
Trompet b/d 8' Dulciaan 8'
Koppeling Rugwerk-Hoofdwerk
Koppeling Rugwerk-Pedaal
Koppeling Hoofdwerk-Pedaal
Tremulanten op Hoofdwerk en Rugwerk
Mechanische speel- en registertractuur

Van der Weele

Het in 2005 aangekochte orgel, is een zogenaamd bureau-orgel met opstand uit 1818 van de Middelburgse orgelbouwer Frederik van der Weele (1752-1840).

Van der Weele is vooral bekend door zijn huisorgels, hoewel hij ook zeker een kerkorgel heeft gebouwd en als stadsorgelmaker van Middelburg het onderhoud van alle kerkorgels in de Zeeuwse hoofdstad had. Zijn werkzame periode viel samen met ongunstige economische omstandigheden op Walcheren, mede ten gevolge van de Franse tijd. In de literatuur wordt dit als verklaring gegeven voor het feit dat hij zo weinig kerkorgels bouwde.

Van der Weele bouwde een aanzienlijk aantal huisorgels, waarvan er zeker zeven bewaard zijn. Zijn opdrachtgevers waren hoofdzakelijk welgestelde particulieren. Behalve bij het musiceren in huiselijke kring functioneerden deze instrumenten ook bij huisconcerten.

Het betreffende orgel heeft een met bloemmahonie belegde kast in empire-stijl. De kast wordt wel een cilinder-bureau genoemd vanwege de afneembare ronde klep die de klaviatuur afdekt. In de opstand bevinden zich twee jalouzie-deurtjes. De onderkast heeft twee deurtjes met aan weerszijden een pilaartje. Het orgel is boven het klavier gesigneerd: "F. van der Weele a Middelburg 1818". De windvoorziening bestaat uit een schepbalg en een magazijbalg die met een voettrede van wind kunnen worden voorzien. Rechts naast het klavier geeft een stokje, het zogenaamde windzicht, aan hoeveel wind zich nog in de balg bevindt. Links en rechts van het klavier bevinden zich de registertrekkers en een kaarsenstander. De dispositie omvat 4 stemmen voor de linkerhand en 6 stemmen voor de rechterhand.

Van der Weele orgel
Links Rechts
Holpijp 8' Holpijp 8
Prestant 8'
Fluit 4 Fluit 4'
Prestant 4'
Nachthoorn 3'
Fluit 2
Octaaf 2' Octaaf 2

Tezamen 276 pijpen. Het instrument bezit een zogenaamde pianotrede, waarmee snel van luid naar zacht kan worden geregistreerd, en een tremulant. Het instrument is vrijwel geheel origineel. De stemming van het orgel is naar schatting ongeveer een halve toon verhoogd, waardoor het nu ongeveer de toonhoogte van het grote orgel heeft. In verband met gebruik tijdens wisselzang is dat een goed uitgangspunt zoals ook bij de ingebruikneming bleek in de toen gevierde Liedmis van Luther, waarin het slotkoraal van cantate 194 van J.S.Bach klonk, een werk dat voor dergelijke gelegenheden gezongen werd.

© 2008, Evangelisch-Lutherse Gemeente Rotterdam. Ontwerp website: Jos Smeets Quixote
Onderhoud en uitvoering website Jacques Lindhout / JLIvideo.