In de jaren na de Tweede Wereldoorlog zijn diverse kerkgebouwen in de Lutherse Kerk in gebruik genomen. Hier staat er één in het bijzonder centraal: de Rotterdamse Andreaskerk uit 1949 terwijl de Vast Burchtkerk niet meer in gebruik is.
Reeds voor het bombardement van de meidagen van 1940 groeide de behoefte van de Lutherse gemeente zich meer te decentraliseren. Zodoende lag er al een optie op grond in Rotterdam-Noord aan de kant van Hillegersberg om daar een wijkgebouw te plaatsen. Op deze plaats verrees de eerste nieuwe kerk van Rotterdam, voor herbouw van de verwoeste kerk aan de Wolfshoek werd mede op grond van vernieuwde stedenbouwkundige inzichten geen toestemming gegeven. In 1941 werd door de kerkenraad de opdracht voor een ontwerp voor een nieuwe kerk met 450 zitplaatsen aan B. van de Lecq gegeven. Van de Lecq bouwde eerst in de stijl van Berlage en hanteerde later zowel een modern als een traditionalistisch vocabulaire, van zijn hand waren ook veel seinposten langs de Maas!
Het kerkgebouw valt op met zijn traditionalistisch vocabulaire dat doet denken aan de Delftse School, dit in tegenstelling tot de verder in Rotterdam op grote schaal toegepaste architectuur van het Nieuwe Bouwen, met andere woorden hij lijkt vele ouder vanwege de oude kalssiek gedachten die eraan ten grondslag liggen. Dit traditionalisme staat regelrecht tegenover het modernisme van de Wederopbouwarchitectuur van Rotterdam.
Het gebouw is opgetrokken uit geelrode handgevormde stenen met gebruikmaking van een gedetailleerde baksteenarchitectuur, met kruismotieven verdeeld over het muuroppervlak. Er is sprake van toegepaste kunst in de vorm van beeldhouwwerk, dit in de traditie van het gebouw als totaalkunstwerk, zoals dat eerst bij Cuipers toonde, maar later ook bij Berlage en Granpré Molière met de Delftse School.
De steen (franse kalksteen) die de toren bekroont is voorzien van een afbeelding van een pelikaan en is vervaardigd door de Rotterdamse beeldhouwer Hoppen.
Bewust koos men voor een ingang via een bordes. Men gaat immers op naar de kerk en betreedt het pand niet als een willekeurig ander gebouw, daarom wilde men het pand ook niet als utiliteitsbouw vormgeven. De vloertegels, maar ook de stenen die onder de dakrand als kleine kruizen uit de muur steken, zijn voorbeelden van gedetailleerde afwerking. Dit zelfde geldt voor de raampartijen, zij hebben dezelfde gele kleur als de vloertegels, zij hebben allen het kruismotief als basis voor de meetkundige verdelingen (waarbij geen een raam hetzelfde is). Ook zijn er muurankers met gestileerde zwanenkoppen (Zwaan als symbolische verwijzing naar Luther!).

Bijzondere artistieke bijdragen zijn van de Rotterdamse kunstenaar Ger van Iersel, in de kerk twee glas-in-loodramen en een gezangbord. Van zijn hand zijn er muurschilderingen en een schilderij in de belendende ruimten (zie elders).
De opvallende lage lichtverdeling in de georiënteerde kerk werd verantwoord met het motief dat zij Romaans aan zou doen. De zichtbare gelamineerde houten spanten geven echter met de gestrekte spitsbogen een ritmisch karakter aan de kerk dat eerder aan Gotische kerken doet herinneren.
De indeling van een bijna kapelachtige ruimte rechts van de toreningang houdt het midden tussen een doopkapel en een sacristie. In de ontwerptekeningen wordt hij wachtkamer en in de gemeentemond bruidskamer genoemd; in de praktijk functioneert hij als consistoriekamer. De toren die een — achthoekige — uitbouw is van de gang die de kerkzaal naast de preekstoel verlaat, heeft door haar kleinheid veel weg van een privé-spreekkamer, of met meer de liturgische termen in het achterhoofd, een biechtplaats? Via deze gang komt men door het bijgebouw dat — mede door haar zalen, kosterij en binnentuin — een kloosterachtige uitstraling heeft.

Het verwoeste kerkgebouw, met een zaalkerk-model als basis, kende een kansel aan een lengtemuur (met daarvoor een altaartafel) en het orgel hing aan een van de galerijen aan de korte zijmuren. De uitstraling was die van een stijlvol gebouw, doch niet die van een klassiek ogend kerkgebouw (ongetwijfeld samenhangend met het feit dat het lange tijd aan Lutheranen verboden was zich zodanig te profileren).

Uit de diverse ontwerpen die deze architect maakte zien we een ontwikkelingsgang waarbij uiteindelijk de kerkenraadsbanken vervallen en de zuidelijke plaatsing van de preekstoel (met het later vervallen klankbord — eerst plat, later als schelp) een noordelijke wordt. De doopvont staat op bijna alle ontwerpen op de plaats op het liturgisch centrum waar later (tussen 1985–1990) een ambo verschijnt. Nog voor de inwijding vindt het zijn plaats voor de drie altaartreden. De galerij krijgt meer en meer het karakter van een zangzolder.